Search
  • Marissa

De gesloten afdeling - van A tot Z

Updated: Apr 14

Voor Corona was ik vrijwilliger op de gesloten afdeling van een woonzorgcentrum. De bedoeling was dat ik de demente ouderen aldaar een vrolijk uurtje zou bezorgen. Maar waar het in deze blogs over gaat, is juist hetgeen zij bij mij veroorzaakten: binnenpretjes en ontroering.


Oude man houdt arm van oude man vast.
Koopvisblog De gesloten afdeling

Van binnen verstild fietste ik steeds na mijn ‘dienst’ naar huis. Tot rust gekomen door het trage tempo van de afdeling. Het geduld dat ik mezelf moest opleggen om me tot deze mensen te kunnen verhouden. Normaal gesproken niet mijn sterkste kwaliteit.


De ongeremde opmerkingen van de bewoners kwamen in de context van de met antieke details ingerichte huiskamer vaak dolkomisch op me over. Soms ook schoot ik er juist van vol.


Dementie ontmenselijkt hoor je altijd. En dat is denk ik ook wel zo. Maar de mens die iemand was, zit er ook nog in, ergens diep verstopt. Soms komt 'ie naar buiten. In de tot tien, twintig keer herhaalde zinnen. Een liedje van vroeger. Ineens weet ze weer iets: We hadden vroeger een hond, zo’n kleine, hij heette Olaf.


Ook uit zich soms gedrag dat niks te maken heeft met hoe die mens vroeger was. Een dame die door de dementie zo angstig is dat ze trilt en vloekt en iedereen wantrouwt en uitscheldt. En meneer die zomaar zit te huilen om het leven.


Voor deze blog heb ik de namen van de mensen uiteraard gewijzigd. Sommigen van hen zijn er inmiddels niet meer.


Ik begin bij het einde…


Terug naar de gesloten afdeling

In februari van 2020 was ik voor het laatst op de gesloten afdeling geweest. Een laatste spelletje Mens-erger-je-niet, wat liedjes uit de ouwe doos zingen (In Den Haag daar woont een graaf, Hand in hand kameraden, Ik stond laatst voor een poppenkraam…) en dat was het dan. Corona kwam en ging niet meer weg.


In december 2020 ging ik gemondkapt langs om even gedag te zeggen. Niet dat de bewoners daar iets aan hebben. Ze herkenden me sowieso al niet toen ik nog iedere week kwam. Ze hadden me niet gemist; het was voor hen alsof ik niet was weggeweest.


De verzorgende van dienst vertelde dat een aantal mensen overleden was in de afgelopen periode. Sommigen door Corona. Anderen omdat hun tijd gekomen was.


Mevrouw Paulisse, die haar soep met een vork wilde eten, nooit coherent sprak maar op gezette momenten zo helder en spitsvondig uit de hoek kwam dat het je de adem benam.


Meneer Huizinga, met zijn mooie trillende sopraan, nagenoeg blind, die altijd blij was om te vernemen dat het buiten mooi weer was.

Mevrouw Schröder die dacht dat ze het altijd over haar hadden en daar steeds zo vreselijk boos over was.


Het was fijn om te zien dat Annie er nog was, nog net zo vrolijk en vitaal als voorheen. Ze stond in de deuropening van de kamer van Ria te babbelen. Ria zat in haar luie stoel en staarde mismoedig voor zich uit. Ik wou dat ik dood was, sprak ze somber.


Ik probeerde haar op te fleuren en zei: zal ik de volgende keer een moorkopje meenemen voor je? Een flauwe glimlach kon er nog net van af.



Ria, juli 2019

Vandaag heb ik mijn nieuwe rode gympen aan als ik naar het woonzorgcentrum fiets. Ik verheug me op de reactie van Ria. Ik loop de woonkamer in en Ria’s ogen schieten gelijk naar beneden. Mooie schoenen heb je aan! Ze kijkt me aan. En leuke oorbellen ook.


Ria is altijd gul met complimenten. Dus geef ik haar een complimentje terug: Wat heb jij een mooi vest aan, Ria. Ze kijkt naar beneden. Oja, inderdaad, wat een mooi vest. Hoe kom ik daar eigenlijk aan? Nou ja laat maar.


De ochtend is goed begonnen. Koffie? Doe mij maar een moorkoppie erbij, roept Ria zoals altijd. Ik ga met de koektrommel rond en zeg: we zullen het vandaag met een bitterkoekje moeten doen. Daar kan ze wel om lachen.


Ria krijgt zoals elke donderdagochtend bezoek van een vrijwilligster. Ze gaan dan samen naar beneden, naar de grote zaal, om koffie te drinken. Ondertussen doe ik met de overige bewoners in de huiskamer een vraag- en antwoordspel.


Tegen lunchtijd is Ria weer terug in de huiskamer. Voorzichtig schuifelt ze van haar rollator naar haar vaste stoel aan de eettafel. Zo, ik zit, puft ze. Tijd voor een boterham met hagelslag.



Lang zal ze leven met een moorkop

Met twee dozen slagroomsoezen en één moorkop fiets ik eind januari 2020 naar de gesloten afdeling. Ik ben jarig, dus ik trakteer.


De slagroomsoezen zijn voor de afdeling. De moorkop is voor Ria, die daar al maanden om vraagt.


Smaakt ‘ie? vraag ik als ze op het gebak aanvalt. Ze hmmt bevestigend en smult zich smakkend door het lekkers heen.


Ondertussen zing ik Lang zal ze leven met de overige bewoners. Wie is er jarig? vraagt mevrouw Van der Toren. Al zingend wijs ik mezelf aan. Ha! Ik krijg een hand, van harte gefeliciteerd. We eten onze slagroomsoezen en we zingen ons door een uitgebreid repertoire van vroeger heen. Klein klein kleutertje, In Den Haag daar woont een graaf, Aan de Amsterdamse grachten, en natuurlijk zoals altijd: Hand in hand kameraden.


Bij dat laatste lied stoot mevrouw Van der Toren haar kleine vuist stoer in de lucht; Leve Feyenoord één! Ze kijkt me veelbetekenend aan: Ik ben een echte Rotterdamse! Dat weet ik al sinds ik haar ken, maar ik reageer zoals iedere keer verrast: oh echt?


Voordat ik aan het eind van de ochtend vertrek zet ik Lang zal ze leven nog een keer in. Iedereen zingt en klapt mee. Hieperdepiep, hoera!


Mevrouw Van der Toren vraagt: Wie is er jarig?



Mevrouw van der Toren gaat wandelen

Op een donderdagmorgen in het voorjaar van 2019 stap ik vanuit een flauw zonnetje door de automatische schuifdeuren het woonzorgcentrum binnen. Vandaag doet de gesloten afdeling mee met de wandel-driedaagse. Als ik de huiskamer binnenkom zit mevrouw Van der Toren keurig aangekleed aan de eettafel.


Conny komt vanmiddag en dan gaan we wandelen! kondigt ze aan.

Wat heerlijk, het is er lekker weer voor, zeg ik. Heeft u al koffie gehad?

Ze reageert niet maar kijkt me vragend aan: We gaan vanmiddag wandelen, komt Conny hierheen om me op te halen?

Jazeker, stel ik haar gerust. Ik loop naar het keukenblokje en schenk koffie voor ons in. Voor haar met melk en suiker, zonder lepeltje want dat steekt ze steevast in haar tasje.


Ik ga tegenover haar aan tafel zitten. Ze is goed van zin: Vanmiddag komt Conny en dan gaan we wandelen!


Wat heerlijk voor u, antwoord ik, en het is ook zo lekker buiten vandaag. Ze draait haar hoofd naar het raam. Ja lekker weertje hoor. Komt Conny me ophalen vanmiddag?

Ja natuurlijk, verzeker ik haar. En dan gaan jullie heerlijk wandelen.

Ze kijkt opgetogen.


Ik stel voor om een potje Mens-erger-je-niet te spelen. Zij is altijd rood en ik ben altijd geel. We gooien om beurten met de dobbelsteen.

Na een tijdje verkondigt ze met nadruk: Vanmiddag gaan we wandelen!

Wat heerlijk voor u, antwoord ik.

Komt Conny me dan hier ophalen?

Tuurlijk!


Ik gooi weer met de dobbelsteen en neem nog een slokje van mijn koffie.



Hoppa!

Mevrouw Van der Toren vindt het altijd fijn als we een spelletje doen. Of zingen, ook leuk. Voorlezen, gezellig.


Maar als er een pauze valt in het programma houdt ze het voor gezien.

Gaan we hier nog wat doen? wil ze weten. Straks, geef ik aan.

Ze schuift resoluut haar stoel aan de kant en pakt haar rollator. Behendig loopt ze om de eettafel heen om de huiskamer te verlaten. Maar ze kan er niet langs. Meneer Huizinga zit in de weg in zijn rolstoel.


Zonder aarzeling geeft ze de rolstoel van meneer Huizinga een zwieper. Hoppa. Hij rolt een stuk naar voren. Mevrouw Van der Toren stiefelt achter hem langs de huiskamer uit.


Gaat het? vraag ik aan meneer Huizinga. Ach ja, ik vind het allemaal best, glimlacht hij goeiig.


Het is geven en nemen op de gesloten afdeling.



Meneer Huizinga zingt

Ik zet mijn fiets op slot en loop de dubbele schuifdeur van het woonzorgcentrum door. Als ik op de afdeling kom zit meneer Huizinga nog te ontbijten. Twee in vier stukken gesneden boterhammen met kaas en een beker melk. Meneer Huizinga tast naar zijn beker en brengt ‘m voorzichtig naar zijn mond. Op zijn broek en overhemd liggen kruimels.


Ik zorg dat ik in zijn gezichtsveld sta als ik hem begroet. Ik leg mijn hand op zijn schouder en zeg: Goedemorgen meneer Huizinga, wat fijn dat ik u weer zie. Eet smakelijk. Hij glimlacht, mompelt eet smakelijk terug en gaat door met eten.


Als hij klaar is ruim ik de boel af. Ik stel voor te gaan zingen. Meneer Huizinga praat niet veel, en is soms zomaar een beetje verdrietig. Maar hij is gek op zingen. Ik zet in: Altijd is Kortjakje ziek, midden in de week maar zondags niet. Na een paar woorden galmt meneer Huizinga mee met fraaie trillende uithalen. Zijn ogen dicht.


Ik kan wel horen dat u vroeger veel gezongen heeft, complimenteer ik hem. Hij lacht weemoedig: Ach….



Mevrouw Schröder is boos

Als ik de huiskamer binnenkom zie ik dat er een nieuwe bewoonster is. Ze kijkt schichtig om zich heen en is zichtbaar niet op haar gemak.


De bewoners bemoeien zich normaalgesproken nauwelijks met elkaar. Doorgaans lijkt het alsof ze elkaar niet echt registreren. Maar nu ontspint zich een kort maar pinnig gesprek aan de eettafel, tussen Ria en de nieuwe bewoonster, mevrouw Schröder. Ik versta het niet goed, maar er is kennelijk iets vervelends gezegd; mevrouw Schröder staat met moeite op en pakt haar rollator.


Ik loop naar haar toe. Ze kijkt boos: Ze zegt dat ik gek ben, vertelt ze met horten en stoten. Ze hijgt ervan. De emoties zitten hoog.


Dat hoef ik me toch niet te laten zeggen? Haar armen trillen en ze wankelt een beetje.


He wat vervelend voor u. Met die woorden probeer ik haar tot rust te brengen: Dat is inderdaad niet leuk. We lopen door de gang naar de andere huiskamer.


Ondertussen kan ze er niet over uit dat iemand haar voor gek heeft uitgemaakt. Even ben ik bang dat haar gebit uit haar mond zal rammelen, zo beeft ze van top tot teen van woede. Geruststellende woorden komen niet binnen bij haar.


Op dit soort momenten weet ik niet wat ik nog meer kan doen. De verzorgenden krijgen instructies hoe ze moeten handelen bij ‘onbegrepen’ gedrag dus ik draag mevrouw over aan een passerende professional in een wit jasje.


Het is jammer, maar als vrijwilliger is mijn trukendoos op een gegeven moment leeg. Helaas.



Mevrouw Schröder doet niet mee

Het is weer donderdag dus ik fiets naar het woonzorgcentrum. Op de afdeling is het rustig. De televisie staat aan. Omroep Max. Mevrouw Schröder zit op de bank te kijken. Ze is boos. Ik vraag of ze koffie wil. Nee, mot ik niet. Ze is duidelijk niet in haar element.


Ik vraag of ze aan tafel komt zitten, dan lees ik gedichtjes voor van Annie M.G. Schmidt. Nou vooruit dan maar. Ze komt zitten, maar niet naast mevrouw Geleen. Die zit altijd zo te smiespelen, daar wordt mevrouw Schröder helemaal tureluurs van.


Ik pak het boek waarin tientallen fantasierijke versjes staan met de bekende grappige pentekeningen van Fiep Westerdorp erbij. Ik lees voor met verschillende stemmetjes en laat de spanning soms stijgen, dan weer dalen. De groep aan tafel luistert stil. Ik ga met het boek de tafel rond om de plaatjes te laten zien. Ach ja, wat leuk, zegt mevrouw Van der Toren.


Mevrouw Schröder kijkt nog steeds stuurs voor zich uit. Van haar hoeft het overduidelijk niet. Bruusk staat ze op en loopt de woonkamer uit. Dag mevrouw Schröder, roep ik haar na. Dag hoor, mompelt ze terug zonder om te kijken.



Mevrouw Geleen praat koeterwaals

Het is een beetje regenachtig dus haastig zet ik mijn fiets in het rek bij het woonzorgcentrum. Op de afdeling zie ik een nieuw gezicht. Ze heet mevrouw Geleen. Dag mevrouw, zeg ik, wat fijn dat u er bent. Ik ben Marissa. Heeft u zin in koffie? Ze lacht stralend naar me en begint te brabbelen.


Wat ze zegt is niet goed te verstaan dus ik knik bevestigend en loop ondertussen naar het keukenblokje. Ik schenk in, voor haar met melk en suiker en voor mijzelf zwart met niks.


Mevrouw Geleen is ondertussen niet gestopt met babbelen. Ze kijkt stralend de tafel rond. Als ik haar een koekje aanbied, pakt ze m’n arm en zegt: Ahh hmm dank je wel een lekker koekje en mompelt met véél intonatie verder in het koeterwaals. Een onophoudelijke woordenstroom.


Dan komt de dominee binnen, voor de huiskamerdienst. Tijdens de viering komt mevrouw Geleen langzaam tot rust. Stil luistert ze mee met de groep.



Geloof je het zelf?

Vandaag is de dominee op bezoek op de gesloten afdeling. Eens per maand verzorgt zij een huiskamer-kerkdienst. De bewoners genieten daar intens van.


Samen met de verzorgende begeleid ik de mensen naar de in hoger sferen gebrachte zithoek. Een stemmig kleed over de salontafel. Een brandende Paaskaars. Een Mariabeeldje. Orgelmuziek op de draagbare cd-speler.


De dominee heet de bewoners één voor één welkom door gehurkt een ieder bij de hand te pakken en bij de naam aan te spreken. Daar wordt wisselend op gereageerd. Mevrouw Geleen schrikt wakker. Mevrouw Schröder moet er niks van hebben. Maar de meesten vinden de persoonlijke begroeting zichtbaar fijn.


Een verhaal over Jezus staat centraal bij de viering. De dominee maakt een rondje om alle aanwezigen te vertellen dat Hij er altijd voor ons is.


Ik zit naast mevrouw Paulisse. Zij communiceert nog maar mondjesmaat. Maar vandaag is ze haarscherp. De dominee brengt haar gezicht naar het oor van mevrouw en vertelt haar over Hem.


Mevrouw Paulisse kijkt vriendelijk terug en spreekt een beetje bekakt: ‘Geloof je het zelf?’


De dominee is even stil, maar laat zich niet uit het veld slaan. ‘Ja, ik geloof dat. En u?’


‘Nee’, is het gedecideerde antwoord.


Ik weet heel even niet waar ik kijken moet.


De dominee schenkt haar een warme glimlach, wrijft liefdevol over haar hand en hurkt door naar de volgende bewoner.


Waarmee ik maar wil zeggen: op deze afdeling wisselen een gniffel en ontroering elkaar continu af.



De gesloten afdeling gaat ter kerke

Of ik vrijdagochtend wilde meehelpen de bewoners van de gesloten afdeling naar de kerk te begeleiden.


Natuurlijk, met liefde.


De ‘kerk’ was in dit geval de multifunctionele theaterzaal van het woonzorgcentrum, waar een gelegenheidsaltaar met kaarsen en een zedig kijkend Mariabeeld was geplaatst. Een met mahoniebruin fineer bekleed orgel werd binnengereden. Een buikige organist nam plaats achter de dubbele rij toetsen.


Ondertussen hadden wij als vrijwilligers de bewoners opgehaald van de gesloten afdeling en daar zaten we dan, te wachten op de priester. Of is het een kapelaan. Ik ben zelf niet zo thuis in de Katholieke kerk, maar de bewoners zo te zien wel. Er hing een sfeer van blijde verwachting en milde verwarring.


Het volgen van de liturgie ging de meeste mensen goed af. Wat met de paplepel is ingegoten komt nog altijd moeiteloos naar boven. Naast mij zong een mevrouw uit volle borst mee.


Even later gooide ze nonchalant een gulle tien euro in de collectezak.


De pastoor kwam langs met het Lichaam van Christus. Ik twijfelde of ik de hostie zou aannemen; ik ben immers geen parochiaan. Maar ik besloot dat de mis, die ik op mijn eigen aardse manier beleefde, mij een zekere rust bracht. Dus ik legde het aangeboden ouweltje op mijn tong en werkte het naar binnen. Het Lichaam bleef even aan mijn verhemelte plakken. Maar ook dát kwam uiteindelijk weer goed.


Na afloop van de dienst was iedereen uitgenodigd voor een kopje koffie. Ik zag tevreden gezichten om me heen; de viering had duidelijk wat losgemaakt bij de mensen. Toen gingen we weer terug naar de afdeling, want het was tijd voor soep.



Poppenkast op de gesloten afdeling

Ria draagt het hart op de tong. En ze heeft oog voor detail. Als ik geluk heb krijg ik een complimentje: Wat heb je leuke schoenen aan!


Als ik vervolgens naar het keukenblokje loop om koffie voor haar in te schenken roept ze: Dikke reet!


Vandaag is het weer tijd voor de maandelijkse huiskamerviering. Samen met de dominee help ik iedereen naar een plek rond de salontafel. De dienst komt op gang, we zingen een lied en de Paaskaars staat aan.


De dominee komt langs met een blad vol theelichtjes die werken op een batterijtje. We mogen allemaal een kaarsje aansteken.


Ria kijkt de dominee schamper aan en geeft aan dat ze daar geen behoefte aan heeft. Wat een poppenkast, mompelt ze en ze rolt puberaal met haar ogen.


Ik schiet vol. Van de kwetsbare mensen om me heen maar ook van het lachen. En ik weet niet of ik het me verbeeld, maar volgens mij zie ik de dominee ook grijnzen.



De danseres

Spichtig en clownesk, zo komt ze op het eerste gezicht op mij over. De danseres die professioneel glimlachend de afdeling op komt tippelen. Vandaag krijgen de bewoners een voorstelling. Ik ben benieuwd. Vinden de bewoners dit leuk?


We begeleiden alle mensen naar de grote huiskamer en plaatsen hen op de eerste rang.

Dan zet de danseres, gekleed in een bont gekleurd strepenpak en een gebreid mutsje, het eerste liedje aan via haar iPad; Tulpen uit Amsterdam. Zodra de muziek aangaat gebeurt er iets in het gezelschap. Hoofden gaan omhoog en beginnen op de maat mee te knikken.


De danseres, een glimlach van oor tot oor, deint sierlijk een en weer en zweeft dan richting mevrouw Schröder. Deze dame kijkt vaak nors voor zich uit en geeft meestal duidelijk aan dat het voor haar allemaal niet hoeft. Gezelligheid is aan haar niet besteed.


Tot mijn verrassing zie ik nu een hele andere mevrouw Schröder. Haar gezicht straalt van plezier. Ze strekt haar handen uit naar de uitnodigende armen van de danseres. Ze komt soepel uit haar stoel en samen zwieren ze door de tot dansvloer omgetoverde huiskamer. Ik kijk rond; iedereen, zonder uitzondering, lacht en beweegt of klapt op de maat mee.


Annie, die een uur eerder nog in een boze bui was (ze moest naar haar kinderen toe maar ze was potverdorie opgesloten) laat zich verleiden tot een dansje met een verzorgende en het plezier is zichtbaar. Bij beiden.


Mevrouw Paulisse, die normaal gesproken nauwelijks communiceert, spiegelt met haar handen de gebaren van de danseres bij het lied Havana Gilla.


Ik moet toegeven dat ik wat sceptisch was, maar de danseres heeft iedereen een prachtig uur bezorgd. En niet alleen de bewoners.



Annie ziet spoken

Als ik om 10.00 uur op de afdeling kom, is Annie er nog niet. Ze heeft weer lopen spoken vannacht, vertelt de verzorgende. Dus ze slaapt uit. Na een half uur komt ze de huiskamer binnen.


Daar is ze weer! kondigt ze zichzelf blijmoedig aan. Ze loopt richting haar vaste plaats aan de eettafel. Ze is niet meer zo vast ter been dus bijna valt ze.


Annie Annie toch, corrigeert ze zichzelf monter, oh oh oh kijk toch uit meid.


Ik vraag of ze koffie wil. Oh heerlijk. Wat wordt er toch goed voor me gezorgd hier, zegt ze tegen Ria die tegenover haar zit. En, alsof ik het niet kan horen: Het is ook zo’n schat van een meid he, heerlijk gewoon.


Annie is altijd opgewekt. Tenminste, wanneer ik haar zie. ’s Nachts is het andere koek. Dan komen de spoken. De nachtdienst heeft er de handen vol aan.


We doen het spel Vragenderwijs. Wat hoort er allemaal bij een baby? lees ik de vraag voor van een blauw kaartje. Annie doet een huilende baby na en schatert het uit van het lachen.


Oh oh wat een figuur he, geeft ze zichzelf van katoen. Ik moet ook lachen. Door naar de volgende vraag: wat zijn ulevellen? Het antwoord volgt prompt: Een snoepje met een papiertje erom! Zo kabbelt de ochtend verder, tot aan de soep van twaalf uur.



De gesloten afdeling maakt zich op voor Sinterklaas

Of ik een kartonnen schoorsteen in elkaar kan knutselen. Tuurlijk. Geen probleem. Hoewel, dat valt nog niet mee. Je moet een handleiding volgen, niet mijn sterkste kant. Maar goed, aan de slag.


De bewoners houden vanaf de eettafel toezicht. Mevrouw Van der Toren zoekt oogcontact en informeert of we nog een spelletje gaan doen. Anders kan ze beter naar haar kamer gaan. Dus ondertitel ik mijzelf tijdens het bouwen, om de aandacht vast te houden: Dit onderdeel gaat hier en dan leg ik deze even op de grond en dan gaat die daar…


Na enig gestuntel is de schoorsteen af. Best een leuk ding, al zeg ik het zelf. Ik zet ‘m bovenop het dressoir. De bewoners hebben er geen aandacht voor. Ik ga op mijn vaste plek zitten aan het hoofd van de tafel. Mevrouw Van der Toren glimlacht tevreden. He he, eindelijk tijd voor een spelletje.


Ik pak de spellendoos Vragenderwijs erbij, met kaartjes waarop vragen over vroeger staan.

Er zijn ook kaartjes met Sinterklaasliedjes bij. Ik zet in: Hoor wie klopt daar kinderen. Dat kennen ze allemaal. Daarna borrelt een aaneenschakeling aan Sinterklaasliedjes op. Wie komt er alle jaren, Zie ginds komt de stoomboot en Hoor de wind waait door de bomen. Meneer Huizinga galmt met lange uithalen.


Tot slot zingen we Dag Sinterklaasje. Volgende week wordt de huiskamer in kerstsfeer gebracht.



De gesloten afdeling krijgt een kaartje

De laatste tijd heb ik minder gelegenheid gehad om naar de gesloten afdeling te gaan. Dat vind ik jammer. Ik mis de ochtenden met de bewoners. Daarom ben ik blij als ik vlak voor kerst nog even langs kan gaan. Als ik de afdeling op kom, hebben de bewoners allemaal één of meer kerstkaarten voor zich op tafel liggen.


Samen met de verzorgende maak ik de kaarten één voor één open. ‘Beste Annie, fijne kerstdagen en een heel gelukkig nieuwjaar!’ Ondertekend door Marjolijn van de verzorging.

Iedereen ontvangt behalve van zijn of haar familie ook een kaart van het woonzorgcentrum, ondertekend door de mannen en vrouwen van de verzorging.


Nou wist ik natuurlijk al dat de verzorgenden hun werk met liefde doen. Ondanks de hectiek hebben ze veel geduld voor de bewoners. Ik zie hier een aai over een hand en daar een arm om een schouder. Ze weten precies wie er hagelslag op zijn boterham wil en wie er geen vissoep lust. Wel logisch ook natuurlijk.


Dus eigenlijk zou ik niet verrast moeten zijn door deze kaartenactie.



Hieperdepiep hoera voor de 100 jarige!

Al maanden had ze het erover: als ik 100 word, dan geef ik een feestje. Je komt toch wel? Op een zonnige voorjaarsdag in 2020 was het zover. Maar het feestje van mevrouw Van der Toren kon helaas niet doorgaan. Corona.


Ik was al in geen weken op de gesloten afdeling geweest. Toen ik op straat aan kwam lopen, met een papieren hoedje op, stond de brede stoep al vol met toeschouwers, keurig op anderhalve meter afstand van elkaar.


Het woonzorgcentrum had een hoogwerker geregeld. Het balkon waar mevrouw zich dadelijk zou vertonen aan de buitenwereld was versierd met ballonnen. Haar dochter en schoonzoon gooiden nog wat slingers om het hekwerk van de hoogwerker, trokken een veiligheidsgordel aan en lieten zich onder luid geloei van de dieselmachine naar boven takelen.


Zodra ze op de juiste hoogte gearriveerd waren, kwam mevrouw Van der Toren het balkon op schuifelen met haar looprek. Een ontroerd Aahhh klonk vanaf het balkon. Wat een verrassing!


Ze wuifde naar het publiek beneden haar. Iemand riep: U lijkt wel de koningin!


Toen zette de hele stoep Lang zal ze leven in. Hoera! Hoera! Hoera! In de hoogte zag ik het vastberaden armpje van mevrouw Van der Toren driewerf de lucht in stoten.


Toch een feestje.


Wil je weten wat Koopvis voor je kan doen?

Recent Posts

See All

Blauw